dinsdag 29 december 2015

ANNA'S JAREN (115) - Voor of tegen ons

In een rede voor een stampvolle aula hield de Leidse hoogleraar Rudolph Pabus Cleveringa  een vlammende protesttoespraak tegen het aangezegde ontslag van zijn leermeester, promotor en collega prof. Eduard Maurits Meijers  en andere Joodse hoogleraren. De rede werd door studenten gekopieerd en verspreid. Cleveringa werd door de Sicherheitspolizei opgepakt en tot in de zomer van 1941 opgesloten in de gevangenis van Scheveningen, het ‘Oranjehotel’. De Leidse studenten besloten tot een staking en daarop werd de universiteit gesloten. De Duitsers wilden de Leidse Universiteit alleen heropenen met een nazificeringsprogramma. Er zou een leerstoel rassenleer moeten komen. 

Erik Hazelhoff Roelfzema
(Foto: Wikipedia)
Erik Hazelhoff Roelfzema  schreef daarop het ‘Leids manifest’, waarin de studenten stelling namen tegen de Duitsers. Hij liet het op eigen kosten drukken en plakte het samen met elf helpers overal ’s nachts in Leiden aan. Seyss Inquart en Rauter kregen het manifest per post bezorgd.  De reactie was dat de heropening van de universiteit voor onbepaalde tijd werd uitgesteld. Het bestuur van de universiteit verzocht de studenten daarop geen verder verzet te plegen. Hazelhoff Roelfzema zegde toe dat niet meer te doen buiten de universiteit om maar voorkwam daarmee niet dat de Duitsers hem toch nog even gevangen namen. Hij dook na zijn vrijlating onmiddellijk onder en vertrok uit Schiedam als Engelandvaarder. Vanuit Engeland zou hij het verzet gaan helpen door samen met anderen zendapparatuur af te leveren aan de Nederlandse kust. Later zou ‘soldaat van Oranje’ Hazelhoff Roelfzema als jachtvlieger missies op Duitsland uitvoeren en het aan het eind van de oorlog tot adjudant van koningin Wilhelmina brengen.

Londen werd zwaar gebombardeerd. Beeldhouwer Henry Moore, later wereldwijd beroemd om zijn semi-abstracte monumentale sculpturen, maakte er een serie tekeningen van mensen in schuilkelders. Schrijnende beelden van mensen in de door Hitlers ‘Blitzkrieg’ veroorzaakte crisissituatie. ‘Ik zal al hun steden wegvagen’, had Hitler gedreigd toen hij al eerder was begonnen met de stad Engelse stad Coventry. De door Lady Godiva  bekend geworden stad was van strategisch belang, omdat er auto’s en wapens werden geproduceerd. De nazi’s gebruikten trots de nieuwe uitdrukking ‘coventrieren’, die zij hadden bedacht voor het totaal vernietigen van steden. Later zou hun dwaze leider zelfs een luchtaanval op New York overpeinzen. Een luchtaanval zoals op Londen zou volgens hem daar een extra verwoestend effect hebben. Het zou fysiek onmogelijk zijn het puin van de vele hoge gebouwen te ruimen, waardoor het bouwen van schuilkelders onuitvoerbaar zou worden. De vergelijking dringt zich op met een Osama Bin Laden die, pochend over de door hem genoten en toch constructief bedoelde bouwkundige opleiding, in 2001 emotieloos uitlegde hoe de Twin Towers zo mooi konden instorten.

Enfin. Na de eerste zware bombardementen op Londen stond het jaar 1941 nog maar pas voor de deur. Het jaar waarin Seyss-Inquart de mislukte campagne voor verbroedering beëindigde met de woorden ‘Thans staat ieder voor de keuze: voor of tegen ons’. Om zoveel mogelijk mensen toch mee te krijgen werd het toerental van de propagandamachine nog maar weer eens opgevoerd en werd de Nederlander steeds meer geconfronteerd met bombast, holle frasen en uitroeptekens die van reclamezuilen en muren knalden. Aan rigide regels gebonden wanzooi. Slechts een beperkt aantal reclamebureaus en individuele vormgevers wilde die affiches produceren. De nationaalsocialistische organisaties hadden er ook nog weinig geld voor over, met die gedrukte troep als gevolg. Troep die het niet vermocht de oorlogsgrauwe stad ook maar enigszins leefbaarder te maken en al helemaal niet de Afrikaanderbuurt. Een buurt, die per definitie al niets aan vertier had te bieden, er was een kerk, er waren enkele troosteloze cafés en verder werd er gewoond en het hoofd boven water gehouden. Na sluitingstijd van slagerij, groenteboer, bakker en waterstoker, als de ramen en puien waren geblindeerd, vluchtte iedereen naar binnen. Weg van de horror van een onleefbare omgeving. Laat op de avond mocht je je trouwens helemaal niet op straat vertonen. En het zou niet lang duren tot er een periode begon waarin er op je werd geschoten als je na acht uur ’s avonds nog buiten liep. 
Aanvankelijk mochten burgemeesters nog zelf beslissen of zij affiches lieten ophangen maar er bleken toch nog zoveel burgemeesters dat dan maar niet te doen, dat er al snel een regeling kwam die de gemeentes verplichtte te afficheren. En nog moest het hoofd van het Bureau Propagandavoering constateren dat ‘in sommige provincies in de grootste helft van het totaal aantal gemeentes nooit geplakt is’. Hoewel twee helften per definitie even groot zijn, werd door het aanplakken in handen te geven van reclamebureaus verandering in de situatie gebracht. Dat was ook het moment dat de affiches professioneler en dientengevolge nog weerzinwekkender werden. Vaak vonden de aanplakkers de affiches al snel weer voor een groot deel afgescheurd terug. Een techniek, de ‘decollage’, die in de jaren na de oorlog in de moderne kunst nog wel eens met een andere bedoeling en uitgangspunt zou worden toegepast. 
(wordt vervolgd)
nnn

donderdag 24 december 2015

ANNA'S JAREN (114) - Terugkeer van een oude bekende

Na de capitulatie van Frankrijk verzamelden eenheden van het vrije Franse leger zich onder generaal Charles de Gaulle  in ballingschap in Londen. De 84-jarige Philippe Pétain  liet zich echter benoemen tot staatshoofd van een groot deel van Frankrijk, waar het zogeheten Vichy-regime ging collaboreren met de Duitsers en de Italianen. Onbegrijpelijk dat een ooit populaire oorlogsheld als Pétain, die het in de Eerste Wereldoorlog tot maarschalk had gebracht en een Amerikaanse onderscheiding had gekregen, zich daartoe leende. Maar vanaf het moment dat Hitler de Sovjet-Unie aanviel had Pétain de Fransen opgeroepen om samen met hem het bolsjewisme te bestrijden. Hij ontpopte zich alsnog ook als antisemiet. Er werd perscensuur ingesteld in Vichy-Frankrijk en de Joden werden er zelfs al vervolgd toen er van Duitse zijde nog geen enkele dwang was in die richting.
Onder degenen, die dat nieuwe regime best wel zagen zitten, was een oorspronkelijk uit Lyon afkomstige, begenadigde chirurg. Hij had ooit Frankrijk verlaten omdat hij daar geen ziekenhuisaanstelling meer kon krijgen. De aanleiding was toen dat hij als overtuigd katholiek tweemaal had verkondigd medisch onverklaarbare genezingen te hebben meegemaakt in Lourdes. Maar later, door zijn werk in Amerika, had hij de Nobelprijs voor geneeskunde ontvangen. En hij had er een bestseller geschreven ‘Man the Unknown’, waarin hij zijn opvattingen over eugenetica verkondigde. Charles Lindberghs vriend en raadgever Alexis Carrell, was na zijn ontslag bij het Rockefeller Institute weergekeerd in zijn geboorteland, waar hij zich was gaan bezighouden met zaken als telepathie en wichelroede lopen. Maar nu kreeg hij dan toch weer een echte baan, een baan waarin hij zich voor honderd procent thuis voelde. Het Vichy-regime beloonde zijn openlijke steun met de verantwoordelijkheid voor de gezondheidszorg.

Mexico-stad, augustus 1940. Naar pas in de jaren tachtig bekend zou worden, was het een geheim agent van Stalin die toen wist door te dringen in het zwaarbewaakte verblijf van Leon Trotski  en hem met een ijsbijl de schedel insloeg. De andere dag overleed de Russische revolutionair. Stalin en Trotski hadden nooit door één deur gekund, wat had geresulteerd in Trotski’s verbanning.
Enige tijd daarna begon de Grieks-Italiaanse oorlog, werd onder Duitse druk de Nederlandse SS opgericht, en werden ruim honderd Nederlandse prominenten, waaronder Drees, afgevoerd naar Buchenwald. Drees had zich van het begin af aan tegen fascisme en nationaalsocialisme gekeerd. En omdat hij wist hoe de sociaaldemocraten, evenals de communisten, door de nazi’s werden behandeld had hij dan ook eerder die mislukte poging gedaan om naar Engeland te vluchten. Toch was zijn arrestatie in eerste instantie niet bedoeld om hem als politiek tegenstander uit te schakelen. Hij werd samen met de anderen ‘Indisch gijzelaar’ als represaille voor de internering van Duitsers in Nederlands-Indië. Drees zou meer dan een jaar later worden vrijgelaten wegens een ernstig ogende maagkwaal, gijzelaars werden naar verhouding redelijk behandeld en zieken mochten naar huis. Inmiddels hadden zij zich wel een beeld kunnen vormen van de gruwelijkheden die in het kamp plaatsvonden. Wie het kamp was binnengegaan als nog niet zo’n felle tegenstander van de nazi’s, kwam er wel zo uit. 

(Afb. Wikipedia)
Vlak daarvoor was in Amerika ‘The Great Dictator’ in première gegaan. Charlie Chaplin speelt de hoofdrol in deze door hem geschreven en geregisseerde film, die Adolf Hitler te kijk zet. Adenoid Hynkel heet hij in de film en Mussolini valt te herkennen in een figuur die Napaloni heet. De film werd in de Verenigde Staten niet goed ontvangen, de regering beoordeelde de rolprent als een aanval op (jawel) ‘een staatshoofd van een bevriend land’. Maar toen Amerika alsnog betrokken raakte bij de oorlog, keerde het tij en werd de film zelfs voor propagandadoeleinden gebruikt. Charlie Chaplin, die voor het eerst in deze film sprekend wordt opgevoerd, is zich later gaan afvragen of hij deze komische film wel zou hebben gemaakt als hij beter op de hoogte zou zijn geweest van Hitlers wandaden.

Het Departement van Sociale Zaken maakte bekend dat arbeid in Duitsland als ‘passend’ werd beschouwd. Bij weigering zou de steun automatisch worden ingehouden.
Verder verscheen in Den Haag het communistische verzetsblad ‘De Vonk’. En het eerste nummer van de communistische krant ‘De Waarheid’ kwam uit. De krant was de illegale opvolger van het eerder verboden ‘Volksdagblad’. ‘De Waarheid’ zou uiterst fel door de Duitsers worden vervolgd. Honderden medewerkers aan de krant zouden de oorlog niet gaan overleven, vaak door verraad. Toch zou de krant de oorlog doorkomen en na de bevrijding als landelijke krant verder gaan.
Bernardus IJzerdraat, Rotterdams verzetsman van het eerste uur, werkte sinds kort als tapijtrestaurateur in het Frans Hals Museum. Hij werd verraden en door de Duitsers opgepakt. In zijn huis vonden de moffen een lijst met alle namen van zijn verzetsgroep, achttien leden werden vervolgens ook opgepakt.
(wordt vervolgd)
nnn

zaterdag 19 december 2015

ANNA'S JAREN (113) - Het is geen man, het is geen vrouw

De Duitsers konden op weerstand gaan rekenen. Al vrijwel direct na de bezetting viel dat uit incidentele gebeurtenissen af te leiden. Enkele Rotterdammers, die actief hadden deelgenomen aan de unie, bleven contact met elkaar houden en werden steeds meer betrokken bij de illegaliteit. Jan Broeksz, omroeppionier en al meer dan tien jaar in dienst van de VARA, wenste niet mee te werken aan de plannen van Rost van Tonningen en verliet de VARA als voorzitter. Hij ging werken bij de PTT en in het verzet.
Jetty Pearl
(Foto: Wikipedia)

‘Radio Oranje’ zond tijdens de formele uitzendingen, die als openingstune hadden ‘In naam van Oranje doe open de poort’, ook codeberichten uit die bestemd waren voor het verzet. En burgers werden gewaarschuwd voor aanvallen van de Royal Air Force. Niet overbodig, want die maakte ook nog wel eens een missertje, ten koste van die burgers. Er was ook cabaret, ‘De Watergeus’, waaraan Jetty Paerl  meewerkte als ‘Jetje van Oranje’. Zij bracht teksten van haar vader Jo Paerl  zoals ‘Op de hoek van de straat staat een NSB’er’, dat overal in Nederland binnensmonds werd gezongen, het liefst als er zo een in de buurt was, ‘’t is geen man, ’t is geen vrouw, ’t is een farizeeër.’

Farizeeër, Jan zong het uit het raam hangend als de NSB’er, die achterin de straat woonde, zonder op of om te kijken met snelle pas voorbijliep. Dat gebeurde niet vaak, meestal kwam hij zo gauw mogelijk vanaf de achterkant, de trap van de Brede Hilledijk af. Omgelopen, zodat zo min mogelijk straatgenoten hem zagen. Alleengaand waren die jongens nu eenmaal niet zo heldhaftig. Stoerheid lukte beter in gezelschap van een aantal maatjes. Op zo’n zeldzaam moment dat hij wel langskwam, bleef Jan de man nakijken totdat hij zijn woning inging. Hij deed dat met een gezicht waarop ingehouden woede viel te bespeuren en vooral ook onbegrip. Nadat hij binnensmonds vloekend zijn hoofd weer de kamer had ingebracht, keek hij Rieka lang en indringend aan. De nonverbale communicatie van die twee op zulke momenten kon toen ik wat ouder was vaak diepe indruk op mij maken.
Achteraf valt te constateren dat Jan best wel eens naar ‘Radio Oranje’ moest luisteren, want hij maakte er steeds meer een gewoonte van elke niet te vertrouwen huichelaar farizeër te noemen of in die trant te bezingen. En in oorlogstijd kwamen er nogal wat in aanmerking voor die benaming. Je kon niet genoeg op je hoede zijn. Er werd van beide kanten veel vanuit de ooghoeken gekeken. Dat NSB-gezin in de straat werd door iedereen gemeden als de pest en dat zou na de oorlog nog lang niet over zijn. Logisch dat het ook het eerste gezin was dat de Steinwegstraat zou verlaten in die tijd. Het was geen klein gezin maar met hoevelen zij waren was mij niet duidelijk. Ik herinner mij die NSB-kinderen vooral als schichtige, schuwe wezens, die snel weg waren als anderen volop midden in de straat de spelletjes van die tijd speelden. ‘Diefie met verlos’. Zij hoefden het ook niet in hun hoofd te halen om te proberen mee te doen. Geen schijn van kans, ook na de oorlog niet. Dat je als kind niets kunt doen aan verkeerde keuzes van je ouders, daar werd niet of nauwelijks over nagedacht. Musserts club veroorzaakte daarbij niet alleen een scheuring in de samenleving maar ook binnen gezinnen. Het verhaal ging dat een Rotterdamse huisvader een krijtstreep had getrokken op de vloer van de huiskamer. Om zonen met tegenstrijdige opvattingen uit elkaar te houden. Maar voor de buitenwereld was het net iets te veel gevraagd om er rekening mee te houden dat er iemand uit zo’n gezin zuiver op de graat zou kunnen zijn. Was iemand die liet merken de opvattingen van zijn huisgenoten niet te delen wel te vertrouwen? Was het geen valstrik? Op je hoede blijven was het motto.

Kort nadat Radio Oranje iedere dag was begonnen uit te zenden verscheen het eerste nummer van ‘Vrij Nederland’ in Londen, en niet veel later daarna in Nederland. Het was verboden dat blad te lezen en het was verboden om naar ‘Londen’ te luisteren maar iedereen kende Jetty Paerl na verloop van tijd. Zij zou ook na de oorlog nog lang populair blijven in Nederland, als solozangeres en in het groepje ‘The Singing Nightingales’. Jetty Pearl zou na de oorlog het allereerste liedje van het allereerste Eurovisiesongfestival gaan zingen, ‘De vogels van Holland’, de tekst was van Annie M.G. Schmidt  en de muziek van Cor Lemaire. Dat was in 1956 en de tv was zwartwit.

Er werd toch ook nog een groot jazz-evenement gehouden, het ‘Achtste Jazzwereldfeest’. ‘Jazzwereld’ was een muziekblad dat na de Duitse inval was blijven verschijnen. Alle kaarten van de jazz-avond waren uitverkocht en het feest was een grandioos succes. Het vond plaats op de Scheveningse Pier, nadat er hard was gewerkt aan het oplossen van de verduisteringsproblemen. Onder leiding van Boy Edgar traden er ‘The Moochers’ op. De belangstelling was zo groot dat er ook nog een extra bal achteraf werd georganiseerd in het Kurhaus.
De Duitsers grepen niet in, zij hielden zich vooralsnog rustig. Het waren de NSB’ers die in de begintijd de grootste onrust veroorzaakten, vooral door vernielingen aan te richten. Met zoveel Duitsers om zich heen voelden zij zich steeds flinker. Maar de bezetters wilden toen nog in de eerste plaats de rust handhaven en de zwarthemden kregen meermaals de kous op de kop. De politie kreeg opdracht de orde te bewaren en de avondklok werd ingevoerd.
(wordt vervolgd)
nnn


maandag 14 december 2015

ANNA'S JAREN (112) - Wanorde contra georganiseerde overmacht

Anne Frank
(Foto Wikipedia)
Er bleef natuurlijk een clandestiene pers actief die boeken uitgaf zonder goedkeuring van de Duitsers. Maar omdat vrij publiceren was uitgesloten kozen schrijvers er vaak voor een dagboek bij te houden. ‘Radio Oranje’ riep op om die dagboeken te verzamelen, met de bedoeling dat deze na de oorlog zouden worden gepubliceerd. In tegenstelling tot het beroemde ‘Het Achterhuis’ van Anne Frank, dat naast haar angsten, gevoelens en ambities het leven op een onderduikadres beschrijft, geven vele dagboeken van anderen het verblijf in een concentratiekamp weer.
Een stapje verder gingen publicaties die zich tegen de bezetter keerden en als illegaal werden beschouwd. ‘Het Parool’ en het protestantse ‘Trouw’, de communistische ‘De Waarheid’ en het oorspronkelijk door protestantse jongeren opgerichte ‘Vrij Nederland’ waren publicaties die de oorlog zouden overleven.
De Utrechtse studenten Geert Lubberhuizen  en Charles E. van Blommestein  richtten de ‘Bezige Bij’ op. Beiden hadden geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Hun uitgeverij trok verschillende schrijvers aan, die soms in ruil voor voedsel werkten. De ‘Bezige Bij’ leverde niet alleen boeken maar ook valse documenten en persoonsbewijzen. De ‘Bezige Bij’ – waarvan de naam is ontleend aan Geerts bijnaam ‘bezige Bas’, verwijzend naar zijn schuilnaam ‘Bas Ruys’ – zou de oorlog overleven en in Amsterdam tot de belangrijkste uitgeverijen gaan behoren. Vanuit Leiden opereerde de protestantse ‘Molenpers’, vanuit Den Haag onder meer de ‘Mansarde Pers’. Groningen en vooral Amsterdam, maar ook enkele kleinere plaatsen hadden ondergrondse uitgeverijen. In Leiden stelde ‘Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij’ soms persen ter beschikking voor clandestiene uitgaven.
In de loop van de oorlog werd het met de dag problematischer voor de illegale uitgevers. Er was steeds moeilijker aan papier te komen en voor het boekdrukprocedé, waarin toen werd gedrukt, was lood nodig voor de drukletters. Lood, dat de Duitsers ook goed konden gebruiken maar dan voor kogels. Lettervoorraden van drukkerijen werden in beslag genomen. Het lood, dienend voor het vormen van het te drukken woord, werd omgesmolten tot brenger van de dood.

Een van de dilemma’s waarmee het zogenaamde georganiseerde verzet te maken kreeg, was dat het niet was georganiseerd. Een onsamenhangend geheel van zelfstandig opererende groepjes moedige mensen probeerde nagenoeg zonder enige onderlinge coördinatie tegenspel te leveren aan de overheersing. Problematisch was vooral dat deze groepjes vaak sterk van elkaar verschilden in achtergrond en werkwijze. Communisten, die de eerste twee jaar de grootste verzetsgroep vormden, lagen voortdurend overhoop met verzetsstrijders die uit de confessionele hoek kwamen; en verzetsgroepen die werden gevormd door politiemensen en uit krijgsgevangenschap terugkerende militairen, volgden methodes van verzet die wezenlijk met die van de andere groepen verschilden.
Merkwaardig genoeg worden de personen die verzetsacties – als het stelen of vervalsen van persoonsbewijzen en voedselbonnen of het helpen van onderduikers – tegen de Duitsers organiseerden of uitvoerden, in zijn totaliteit nog steeds omschreven als de illegaliteit. Toch een vreemde benaming voor activiteiten tegen een onrechtmatige bezetter.

De regering in Londen wilde dat er werd samengewerkt maar had nauwelijks zicht op wat er zich afspeelde. En het verzet dat nauwelijks wist wat Londen wilde, ruziede soms onderling stevig, voerde een machtstrijd en pleegde zelfs wel eens verraad. Daarbij waren veel Nederlanders doorgaans niet blij met verzetsacties, de mensen kregen steeds meer angst voor de represailles die er op volgden. Ook ‘Londen’ veroordeelde meermalen te harde acties. Landverraders dienden na de oorlog op legale wijze te worden berecht en met gedode Duitsers was ‘Londen’ per definitie ook niet altijd gelukkig.
Een 25 duizend mannen en – niet te vergeten – vrouwen in een wanordelijk verzet tegen een perfect georganiseerde en zwaar bewapende overmacht van meer dan honderdduizend man, wat een moed was daar voor nodig. Doordat het ontbrak aan wapens en militaire vaardigheden was er aanvankelijk relatief weinig gewelddadig verzet. Uiteindelijk tekende een aantal groeperingen zich af met uiteenlopende aanpak.
Belangrijk was de ‘Ordedienst’ (OD), gevormd uit gelederen van het leger en gericht op het bewaren van de orde, zodra de Duitsers het land weer zouden hebben verlaten. In feite ging het er deze groepering om een linkse machtsgreep te voorkomen.
De OD stond ten opzichte van de andere verzetsgroepen nauwer in contact met ‘Londen’ en werd steeds actiever op het gebied van inlichtingen en sabotage. De ‘Landelijke Knokploegen’ (LKP) maakten zich sterk om door overvallen en vervalsingen onderduikers aan persoonsbewijzen en bonkaarten te helpen. De linkse ‘Raad van Verzet’ (RVV) was een overkoepelende verzetsorganisatie die stakingen organiseerde, sabotage pleegde en gewapende acties uitvoerde. Hannie Schaft, ‘het meisje met het rode haar’, werd lid van de Haarlemse afdeling. Tijdens haar studie aan de Universiteit in Amsterdam was zij bevriend geraakt met Joodse medestudentes waardoor zij zich persoonlijk getroffen voelde door de Jodenvervolging. Zij stal persoonsbewijzen om haar Joodse vriendinnen te helpen.
Dat helpen van onderduikers werd pas echt structureel vanaf 1942 toen de ‘Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers’ (LO) zijn beslag kreeg.
(wordt vervolgd)

nnn

woensdag 9 december 2015

ANNA'S JAREN (111) - Chopin in de ban

Het blijft de vraag of Ina Boudier Bakker zich toch niet al beter had kunnen informeren. De gang van zaken in nazi-Duitsland maakte al voor de oorlog voor velen duidelijk wat er viel te verwachten ten opzichte van de cultuurpolitiek. Hitler suggereerde al geruime tijd een samenhang tussen ‘ontaarde kunst’ en de terugval van de westerse cultuur.
Al in 1937 waren kunstwerken, die als ontaard werden beschouwd, verwijderd uit de Duitse musea. Beginnend in München bezocht een reizende expositie met 650 van deze werken nog eens elf andere steden in Duitsland en Oostenrijk. ‘Entartete Kunst’ werd de grootste en meest bezochte reizende tentoonstelling van die tijd. Jammer dat wij niet weten hoe dat grote aantal bezoekers was samengesteld. Mogelijk waren juist velen liefhebbers van de getoonde kunst. Maar die uitleg gaven de nazi’s er in elk geval niet aan. Stromingen die een grote bijdrage aan de kunstgeschiedenis hebben geleverd werden door hen als ontaard beschouwd: dadaïsme, ex- en impressionisme, fauvisme, kubisme, surrealisme. Van Paul Klee  tot Paul Gauguin  vielen kunstenaars in ongenade. Kunstenaars van wie de naam toen al niet meer was weg te denken uit de cultuurhistorie. Ook muziekstromingen moesten het ontgelden, jazz, atonale muziek, vooral muziek van Joodse componisten en muziek die elders nationalistische gevoelens zou kunnen losmaken. Zelfs Chopin  werd in de ban gedaan.

Ter Braak
(Foto Wikipedia)
Hitler dichtte daarbij vooral Joodse intellectuelen en kunstenaars een negatieve invloed toe. Beangstigend voor de intelligentsia. Een deel van hen koos er dan ook inderdaad voor het leven te beëindigen nadat de Duitsers Nederland waren binnengevallen. De ‘weggelopen domineeszoon’ – zoals het Italiaanse fascistische blad ‘Zwart Front’ hem al eerder noemde – Menno ter Braak, kwam ook zover. Met het ‘Comité ter verdediging van de geestelijke vrijheid’ dat hij direct na de capitulatie van Finland oprichtte had hij, samen met onder anderen Jan Romein en G.J. van Heuven Goedhart, nog even de naïeve hoop gekoesterd hiermee een ontwikkeling in gang te zetten die het nazi-regime ten val zou brengen. Ter Braak had toen nog laten weten dat ‘één alles overheersend gevoel was te blijven leven tot Hitler hangt’. Maar hij scheen zich later toch te hebben voorgenomen uit het leven te stappen zodra de nazi’s Nederland zouden bezetten. Na een mislukte poging om naar Engeland te vluchten, koos hij daadwerkelijk voor de dood. Vrijwel tezelfdertijd overleed Ter Braaks vriend – ‘de verdachte sinjo’, volgens datzelfde ‘Zwart Front’– Charles Edgar du Perron. Aan een hartaanval, kort nadat hij het nieuws van de capitulatie had vernomen.
De nazi’s wilden juist ook schrijvers als verlengstuk van hun propaganda laten werken via hun Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. De leider van dat departement, Tobie Goedewagen  moest echter toegeven dat vrijwel de gehele schrijverswereld unaniem tegenover hem en zijn departement stond.
Op 19 augustus 1940 was de censuur in de uitgeverij al begonnen, alleen met goedkeuring van Seyss-Inquart kon nog worden gepubliceerd. Het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten was kort daarna opgericht en vervolgens werd het plan gelanceerd voor een Kultuurkamer naar Duits model. Die was ingedeeld in zes sectoren, ‘gilden’. Iedere kunstenaar die in een van deze sectoren wilde werken moest daar lid van worden, behalve Joden en bolsjewisten, die mochten al niet veel en nu op kunstgebied helemaal niets meer. Zonder aanmelding geen werk en als je je wel had aangemeld, kreeg je te maken met geboden, verboden en censuur.

Zoekend naar argumenten om de wenselijkheid van censuur te onderbouwen kwam de Kultuurkamer met de drogreden dat de papierschaarste moest worden opgevangen.
Het tekort aan papier zou noodzakelijk maken dat er alleen toestemming kon worden gegeven voor boeken ‘waarvan de verschijning zeer gewenst geacht moet worden’. Gewenst door de Duitsers dus, en wat daar niet bij hoorde waren ‘boeken, welke blijk van waardering geven voor Joden, voor de levende leden van het Oranjehuis, voor het marxisme of voor andere vijanden van het Duitse Rijk’. Boeken die het nationaal-socialisme bestrijden werden uiteraard helemaal niet toegestaan.
Het bleef er niet bij dat het aantal schrijvers dat zich bij de Letterengilde van de Kultuurkamer aansloot uiterst gering was. Auteurs bleven vooral sterke anti-Duitse gedachten aan het licht brengen. En dat zouden zij weten ook, de dichter Jan Campert stierf in Neuengamme, Ed Hoornik kwam in Dachau terecht, Simon Vestdijk  werd met Anton van Duinkerken en vele anderen, waaronder ook wetenschappers, geïnterneerd in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. Vestdijk schreef het gedicht ‘De dode zwanen’ naar aanleiding van de executie van vijf medegegijzelden als represaille op een mislukte aanslag in Rotterdam door de NVM van Sally Dormits. A.M. de Jong  werd doodgeschoten en Theun de Vries  ontsnapte dankzij vrienden aan een terechtstelling. 
Desalniettemin bleven dichters zich via de illegale pers richten tot het Nederlandse volk, dat hun werk gretig las. Het niveau was niet erg hoog maar inhoudelijk was de betekenis groot. De vijand werd gesard en de vriend werd moed ingesproken. Het ‘Lied der achttien doden’ van Jan Campert, die zelf in februari 1943 de hongerdood stierf, kreeg wel de meeste faam. Van H.M. van Randwijk werd in 1943 het gedicht ‘Celdroom’  verspreid , dat van grote maatschappelijke betrokkenheid getuigt. Jacques Presser  kwam met een grote cyclus gedichten ‘Orpheus en Ahasverus’, die als lyrisch dagboek kan worden gezien. Het dagboek eindigt op 2 mei 1945, toen Presser vrijwel zeker wist dat de Duitsers zijn vrouw hadden vermoord.
Men heeft, ergens, mijn vrouw geslacht.
Ik weet niet waar; nooit zal ’k het weten.
Men heeft, denk ik, ook haar verkracht,
Vertrapt en in de kalk gesmeten.
(wordt vervolgd)
nnn

vrijdag 4 december 2015

ANNA'S JAREN (110) - Soepel en correct

Rost van Tonningen nodigde Vorrink uit voor een gesprek, met de bedoeling hem zover te krijgen de SDAP samen met de NSB te laten opgaan in de ‘Nederlandse Socialistische Werkgemeenschap’. Vorrink weigerde, met als gevolg dat ook de SDAP werd verboden. Een tegenvaller voor Rost van Tonningen, die werkte vanuit de opdracht de gehele rode familie ‘gelijk te schakelen’. Dat ging volledig mislukken evenals zijn poging om alle jeugdbewegingen onder een noemer te brengen.
Vorrink, Drees en Wiardi Beckman  ontregelden de SDAP; en de jongerenorganisatie AJC werd opgeheven. Er ontstond verwarring, aan de SDAP gebonden organisaties wisten totaal niet wat hun te doen stond. Alle richtlijnen ontbraken verder en er werd geen verzetsorganisatie opgezet. Het NVV wist ook niets beter te doen dan de Duitsers tegemoet te komen. Seyss-Inquart zou daarvan twee jaar later dankbaar gebruik maken door de vakcentrale om te zetten in het ‘Nederlandsch Arbeidsfront’; met geen andere opdracht dan te dansen naar zijn pijpen. Het eens socialistische dagblad ‘Het Volk’ bleef verschijnen nadat Wiardi Beckman er was vertrokken. Het blad liet zich voortaan betalen voor pro-Duitse propaganda en zou uiteindelijk worden overgenomen door de NSB.
Drees probeerde om in dubio verkerende partijgenoten te weerhouden van toenadering tot de Duitsers of de NSB. Hij werd gearresteerd en overgebracht naar Buchenwald.
De ARP (Anti-Revolutionaire Partij) zou net als de CPN een verzetsgroep gaan opzetten. Per saldo waren CPN en ARP de enige politieke partijen die in verzet zouden gaan. Wat niet wegneemt dat er socialistische en confessionele politici waren die individueel aan het verzet zouden deelnemen of zich zouden aansluiten bij een verzetsgroep.
Bernardus IJzerdraat  had vrijwel meteen na de capitulatie een oproep in Rotterdam verspreid om verzet tegen de Duitse bezetting te plegen, waarmee hij een begin maakte met de verzetsgroep ‘De Geuzen’.
In het allereerste begin had het verzet niet veel meer ingehouden dan het dragen van een witte anjer in de revers en het incidenteel dwarszitten van de moffen maar het bouwde steeds meer uit naar het doorprikken van banden, het doorknippen van telefoondraden en het doen van overvallen. Dat ‘kleine verzet’, het verzet van de man op straat maar ook van ambtenaren en politiemensen die op zijn tijd een oogje dichtknepen, heeft trouwens de gehele oorlog niet meer opgehouden. Werk waar de Duitsers belang bij hadden vertragen, NSB’ers in de gaten houden, voedsel stelen, jennen. Het is nog eenvoudig en duidelijk voor de geest te halen, maar het behoorde dan ook onlosmakelijk tot het dagelijks leven. Daarbij kon Jan daar ook wat van, van voedsel stelen en jennen. Rieka stond wel eens doodsangsten uit, terwijl zij toch ook niet bang was uitgevallen.
De verzetsmethoden waren vaak nogal primitief – vrijwel niemand had enige ervaring. Groepen als de 'Geuzen' en de 'Oranjewacht' werden opgerold voordat ze actie hadden kunnen ondernemen; velen werden ter dood veroordeeld. Slechts enkele groepen als de 'Oranje Vrijbuiters', 'CS-6', de 'Groep Albrecht'  en de 'Groep-Dobbe' hielden het langer vol. Ook het zogeheten ‘Militair Comité’ van de CPN bleef actief ondanks zware vervolging.
Wat na de capitulatie in elk geval wel snel op gang kwam was de illegale pers omdat bestaande kranten en radio-omroepen werden gelijkgeschakeld. Die moesten zich houden aan wat door de bezetter werd toegestaan. Het communistische ‘Volksdagblad’ werd als eerste Nederlandse krant meteen door de Duitsers verboden nadat het zich niet aan de censuurvoorschriften had gehouden. Het luisteren naar voor de Duitsers vijandelijke zenders mocht nog geen twee maanden na de Duitse inval al niet meer. 
Frans Goedhart, politicus en journalist, begon al heel snel met zijn ‘Nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen’. Hij kreeg steun van onder anderen Koos Vorrink, de voorzitter van de SDAP. De nieuwsbrief werd omgevormd tot de illegale krant ‘Het Parool’ en Goedhart bleef actief in het verzet onder de schuilnaam ‘Pieter ’t Hoen’. 

Ina Boudier-Bakker
(Foto: Wikipedia)
Het lijkt nu onbegrijpelijk. Maar dat in de eerste maanden na de Duitse inval nog steeds een groot deel van de Nederlandse bevolking in de veronderstelling verkeerde dat het allemaal wel mee zou vallen is toch niet helemaal onverklaarbaar. De overheid had zich op de vlakte gehouden zolang Hitler nog als ‘bevriend staatshoofd’ gold en straffen uitgedeeld aan wie daar openlijk anders over dacht. Televisie was er nog  niet en de overige media, die de snelheid van de huidige nog moesten ontberen, hadden na het bombardement op Rotterdam onmogelijk adequate informatie kunnen leveren voordat zij in de greep van de moffen kwamen.

Ina Boudier-Bakker wist kennelijk niet beter dan dat de Duitse bezetting ‘soepel en correct’ was, zoals zij vijf dagen na het ‘soepele en correcte’ bombardement op Rotterdam schreef in haar dagboek, en verder:
‘Maar wij gaan een toekomst tegemoet van volslagen verarming (...). De kranten zijn zodanig onder censuur, dat zij het lezen niet meer waard zijn. Geen enkel betrouwbaar bericht. Er zijn helaas veel zelfmoorden onder de Joden – hele families. Me dunkt, voorbarig en onnodig. We geloven niet, dat de Joden hier vervolgd zullen worden. Maar deze ongelukkige mensen – intellectuelen ook veel – hebben zó lang in spanning geleefd, dat deze verdere spanning niet meer te dragen is. (...)’
(wordt vervolgd)
nnn

zondag 29 november 2015

ANNA'S JAREN (109) - Jouw rood is het mijne niet

Een oetlul. Daarmee was hij voor de meeste Nederlanders wel voldoende omschreven. Veel meer woorden maakten ook Jan en Rieka niet vuil aan hem. Daarbij hadden zelfs ook Hitlers trawanten nauwelijks iets goeds over voor de leider die tante tegen zijn vrouw moest zeggen. Als Mussert graag ‘de Mussolini’ wilde uithangen, dan zou hij ook eens serieus een voorbeeld aan de vader van het fascisme moeten nemen, vonden zij. Want Mussolini, dat was pas een kerel. Een vent van jewelste, over wie het verhaal ging dat hij het ooit presteerde om zijn maîtresse tot zich te nemen op de vloer van zijn salon met de balkondeuren open. Wagenwijd open stonden die deuren naar het grote plein beneden, vol juichende aanhangers. Een ongeduldige menigte die scandeerde wanneer Benito nou eindelijk eens kwam.
Dat was pas een dictator, al kon hij nog niet tippen aan de Führer natuurlijk. Dat die ooit was begonnen met Benito als voorbeeld was natuurlijk al lang vergeten.

Rost van Tonningen
(Foto: Wikipedia)
Rost van Tonningen was net iets sluwer en werkte met grotere inzet dan Mussert aan een persoonlijk netwerk aan de andere kant van de grens. Hij was nog veel radicaler dan de oprichter en leider van de NSB en veel meer op Duitsland gericht. Hij ontpopte zich al snel als Musserts concurrent. Hij had gewerkt in Wenen als vertegenwoordiger van de Volkenbond. In 1936 was hij uit Oostenrijk teruggekeerd, gescheiden van zijn eerste vrouw, en lid geworden van de NSB. Volgens de historici Robin te Slaa en Edwin Klijn was Rost van Tonningens huwelijk gaan wankelen doordat hij een verhouding had met een Joodse vrouw. Kijk aan. Kennelijk was de lieverd toen nog niet zo streng in de leer. Rost van Tonningen was al aanwezig geweest bij een militaire parade ter gelegenheid van Hitlers vijftigste verjaardag, een jaar voordat de oorlog uitbrak. Vlak voor de Duitse inval had hij Himmler nog bezocht met het verzoek Nederland niet aan te vallen. Overigens een faux pas, die de ergernis van ‘Freund’ Himmler had opgewekt. En verder schijnt het dat hij binnen de kringen rondom Himmler al eerder, anders dan hij dacht, nauwelijks voet aan de grond had gekregen. Zijn amoureuze betrekking met een Joodse zou daarin een rol hebben gespeeld en bovendien circuleerde in die kringen het gerucht dat de in Soerabaja geboren NSB’er Indisch bloed in de aderen had. Ook al geen pluspunt bij de strebers naar arische zuiverheid.
Rost van Tonningens verzoek van toen versterkt wel de stelling dat de Duitse aanval toch niet voor iedereen zo’n grote verrassing moet zijn geweest. Daaraan valt nog toe te voegen dat een week voor de Duitse inval Rost van Tonningen met nog twintig NSB-leiders door het Nederlands militair gezag preventief in hechtenis werd genomen. Mussert was daar niet bij, die was tijdig ondergedoken. Weer een reden voor de Nederlanders om de spot met hem te drijven. Vlak voor de capitulatie waren inmiddels tienduizenden NSB’ers door de Nederlandse regering opgepakt. Zij zagen de Duitsers, precies zoals die dat wilden, als vrienden en hun komst als de bevrijding.

Vlak voor de Duitse bezetting was er in Nederland toch wel al min of meer sprake van een premature vorm van verzet. In die zin, dat een aantal Nederlanders nauwlettend de bewegingen van NSB’ers in de gaten hield en spioneerde op hun bijeenkomsten. Vooruitziende geesten zochten ook al naar mogelijkheden om wapens te bemachtigen.
Het waren de communisten, die onmiddellijk na de inval begonnen met het organiseren van ondergronds verzet. Zij waren zelfs al eerder aan de gang toen zij probeerden hun opgesloten Duitse kameraden te helpen. Die zaten in kampen bij de Groningse en Drentse grens en werkten als dwangarbeiders in het veen. Het was de communisten gelukt enkele tientallen gevangenen naar Nederland te laten ontsnappen, toen al uiterst gevaarlijk werk, want de Duitsers schoten rücksichtslos op vluchtelingen en helpers.
Al op de dag van de capitulatie had de CPN in Amsterdam een vergadering van de partijleiding waar werd besloten om een ondergrondse organisatie van tweeduizend man op te bouwen. Communistische vluchtelingen uit Duitsland gaven hierbij advies. Van begin af aan richtte het verzet zich tegen de anti-Joodse maatregelen. Een flink aantal leden was van Joodse oorsprong. Ook de nieuw verkozen leider voor de ondergrondse CPN, Paul de Groot,    had een Joodse achtergrond. Toen de Communistische Partij enkele maanden later werd verboden, restte de aanhangers geen andere mogelijkheid dan geheel ondergronds te gaan.
De socialisten kampten intussen met een verdeeldheid binnen de gelederen. De SDAP had zich in de jaren vlak voor de oorlog nog op duidelijke wijze gekeerd tegen het opkomende fascisme. Er was binnen de partij ook geroepen om samenwerking met de communisten, maar voorzitter Koos Vorrink  had dat geweigerd. De Duitse inval en capitulatie kwamen als een verrassing voor hen. Koos Vorrink en Willem Drees probeerden nog naar Engeland te vluchten maar dat mislukte. Lou de Jong  wist wel te ontkomen. Ybele Geert van der Veen was niet de enige die zelfmoord pleegde, er waren meer partijleden die kozen voor de dood. De roden besloten aanvankelijk om concessies te doen aan de Duitsers, in de hoop te overleven en na de oorlog verder te kunnen gaan met alles waarvoor zij in het verleden hadden gevochten. Leiders Vorrink en Drees weigerden daaraan mee te werken.
(wordt vervolgd)
nnn

dinsdag 24 november 2015

ANNA'S JAREN (108) - Groeiend verzet

Intussen kwamen er in Londen nog meer regeringen in ballingschap, onder andere die van België, Frankrijk, Tsjechoslowakije en Polen. En Nederland ging ter plekke enige ministers- en kabinetscrises krijgen. Er kwamen dan nieuwe ministers, zonder parlementaire controle.
De ‘Nederlandse Unie’ werd opgericht door  Louis Einthoven, Johannes Linthorst Homan  en Jan de Quai,  die het later, in 1959, tot minister-president van Nederland zou brengen.
Het doel van de unie was, onder erkenning van de gewijzigde politieke verhoudingen in Nederland en Europa, en in samenwerking met de Duitse en Nederlandse autoriteiten, het karakter van de samenleving te bewaren. Om na de oorlog de Nederlandse zelfstandigheid te kunnen herwinnen. Dat betekende dat de unie zich als taak stelde te voorkomen dat de NSB aan de macht kwam. Voor even werd de ‘Nederlandse Unie’ de grootste Nederlandse politieke beweging ooit. Leden droegen hun speldje vooral om te laten zien dat zij tegen de NSB en de Duitsers waren, hoewel de unie de Duitse bezetting accepteerde.
Er kwamen echter al snel scheurtjes in de samenwerking van de leiders door verschil van mening over de mate waarin concessies aan de Duitsers moest worden gedaan. Er ontstond verder kritiek bij de achterban en die sloeg niet in het minst op de weinig democratische opvattingen die uit het optreden van de leiders bleken. Anderhalf jaar na de oprichting werd de ‘Nederlandse Unie’ alweer verboden door de Duitsers. Toch heeft de unie waarschijnlijk de groei van de NSB enigszins kunnen afremmen.

Repressie wakkert weerstand aan. Hoewel valt te constateren dat het nog steeds niet is begrepen, is dat een belangrijke les die de geschiedenis heeft gegeven. De periode 1940-1945 bevestigde dat maar weer eens. Ons land telde na de capitulatie negen miljoen inwoners. Daarvan zaten er ongeveer 25 duizend in het georganiseerde verzet. Met ‘Nederlands verzet’ worden doorgaans alle personen en groepen bedoeld, die weerstand boden aan de Duitse bezetting van Nederland  maar ook aan de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. Het verzet in Nederland bedroeg naar verhouding maar een derde van de omvang van het verzet in het kleinere België. Doordat de Duitsers aanvankelijk veel harder optraden bij onze zuiderburen, ontmoetten zij daar ook meer weerstand. En naarmate de Duitse opstelling in Nederland harder werd, groeide ook hier het verzet.

Seyss-Inquarts strategie om Nederland geleidelijk aan zover te krijgen de nationaal-socialistische ideologie en opname in een Groot-Germaans Rijk te accepteren leek eerst nog te gaan werken. Dat de distributie van brood al snel werd ingevoerd verhinderde niet dat in het eerste oorlogsjaar vrij algemeen de opvatting post vatte dat het met de Duitse bezetting wel enigszins mee zou vallen. Al langer dan een half jaar voordat de moffen kwamen was de suiker immers ook al op de bon? De ongeveer 15 duizend Joodse vluchtelingen uit Duitsland dachten daar al meteen anders over, zij hadden de werkelijke bedoelingen van de nazi’s maar al te goed leren kennen. Ook een aantal Nederlandse Joden was al eerder met lafhartige bejegeningen geconfronteerd. Frasen uit redes van Goebbels, waarin hij tegen hen tekeer ging, vielen per anoniem verzonden post op hun deurmatten. Zonder opgaaf van redenen waren er al Joden geweigerd voor betrekkingen nadat zij desgevraagd hun godsdienst hadden vermeld. En dat in het Nederland van vóór 1940. 

(Afbeelding: Wikipedia)
NSB-leider Mussert, die had verkondigd dat zijn NSB een eventuele Duitse inval met gekruiste armen zou gadeslaan, pleitte toen al voor zuivering: ‘Wat niet in ons Volk behoort, moet eruit.’ Een kreet die wij tegenwoordig trouwens wel weer eens mogen tegenkomen, al gaat het dan niet zoals toen over ‘de pinda-Chinezen tot en met de Joden’.
Mussert verkondigde al breeduit dat de Nederlandse ‘levensruimte’ zoveel mogelijk moest worden vrijgemaakt van Joden en Walen in de periode dat de Duitsers nog niet eens zo ver gingen en zich alleen nog bezighielden met beperkende maatregelen jegens de Joden.
Musserts NSB was de laatste jaren flink in betekenis afgenomen maar de Duitse inval zou hem en zijn club weer stevig in het zadel helpen, dacht hij. Na de bezetting werd Mussert nog radicaler om indruk te maken op de Duitsers, die nog niet veel belangstelling hadden getoond voor zijn NSB. Maar hij verwachtte dat zijn positie nu wel snel het niveau kon krijgen als die van een Hitler of een Mussolini en zag maar niet in dat de Duitsers daar anders over dachten. Ambtenaren en burgemeesters mocht de NSB leveren. Politiemensen om Joden op te halen en het verzet te bestrijden mocht de NSB leveren. Jonge mannen om tegen het communisme te vechten mocht de NSB leveren. Wilde plannen mocht de NSB echter inleveren.
(wordt vervolgd)
nnn

donderdag 19 november 2015

ANNA'S JAREN (107) - De grootste schurk ooit

Mussert
(Foto: Wikipedia)
Rauter ging in Nederland het politieoptreden tegen het verzet verscherpen. Nieuwe agenten werden opgeleid in de geest van de SS. Op heterdaad betrapte verzetsstrijders zouden onmiddellijk mogen worden doodgeschoten en woningen van verzetsmensen platgebrand. Hij minachtte NSB-leider Anton Adriaan Mussert  en dwarsboomde hem waar mogelijk. Rauter zou in 1948 door het bijzonder Gerechtshof  in Den Haag ter dood worden veroordeeld en in Nederland worden terechtgesteld.
‘Waar hij kwam: galgen en executiepelotons’, kopte ‘De Waarheid’ toen in een van de eerste rechtbankverslagen. Andere kranten omschreven hem als de grootste schurk die ooit voet op Nederlandse bodem had gezet. 

Door die terreur werden de Duitsers aanvankelijk door de Nederlanders als onoverwinnelijk gezien en de moffen werkten er hard aan om dat imago te versterken. Zij deden dat door regelmatig hun overmacht te tonen met marcherende pelotons in de straten en door het uitbreiden van hun macht middels het op allerlei terreinen aanstellen van bestuurders die hun nationaal-socialistische gedachtegoed deelden. Er bleef een garnizoen Duitsers in Nederland, meer dan honderdduizend soldaten, op kosten van de Nederlandse belastingbetaler. In veel gemeenten werd de zittende burgemeester al snel vervangen door een lid van de NSB. Voor Rotterdam duurde dat nog even.

Tomeloos volgden de gebeurtenissen in en buiten Nederland elkaar op vanaf half mei 1940. In Nederland hadden de Duitsers de klok al meteen aangepast aan die van hen. De Amsterdamse tijd liep tot zover veertig minuten achter op hun midden-Europese tijd.
Er vond een slag plaats tussen Duitsers en Belgen. De Duitsers bereikten Het Kanaal. De Belgische vorst Leopold III  weigerde België te verlaten.
‘Wat er ook moge gebeuren, mijn lot zal het uwe zijn’,  waren zijn woorden, bedoeld om zijn soldaten een hart onder de riem te steken. Wat die soldaten niet wisten was dat intussen Leopolds ministers het land hadden verlaten om in Frankrijk de strijd voort te zetten. Ook de Belgen capituleerden. De Belgische premier Hubert Pierlot  ontnam alle bevoegdheden aan Leopold, die als eenzame krijgsgevangene achterbleef. Tien jaar later zou de affaire Leopold de troon gaan kosten.
Italië verklaarde de geallieerden de oorlog. De Sovjet-Unie viel Roemenië binnen. De slag om Engeland nam een aanvang.
Het communistische ‘Volksdagblad’ werd als eerste krant in Nederland verboden, het had zich niet aan de censuurvoorschriften gehouden. De NSB’er Meinoud Marinus Rost van Tonningen nam het gebouw van De Arbeiderspers in bezit.
Ybele Geert van der Veen, directeur van De Arbeiderspers vanaf de oprichting in 1929, pleegde zelfmoord. Na de Duitse inval was hij vastbesloten geweest het door hem groot gemaakte bedrijf door de oorlog te slepen. En de Arbeiderspers zou in geen geval in handen moeten vallen van de nationaal-socialistische beweging, die de persen zou benutten voor de eigen bladen. Om dat te bewerkstelligen had hij zelfs grote concessies  aan de Duitsers gedaan. De komst van Rost van Tonningen betekende voor hem dat alles zinloos was geworden.
De Nederlandse radio mocht alleen nog door de bezetter goedgekeurde programma’s uitzenden. ‘Ik was er zelf bij’ was zo’n programma, dat bestond uit radiopraatjes van Max Blokzijl.  De Duitsers keurden zijn programma niet alleen goed maar waren er zelfs zeer mee verguld. Het was pure nazi-propaganda wat Max op de luisteraars losliet. Hij was ooit als journalist begonnen bij het ‘Algemeen Handelsblad’ en daarna samen met zijn collega Jean-Louis Pisuisse door het land gaan toeren, vermomd als Italiaanse straatmuzikanten. Er volgde een wereldreis waarbij zij ook journalistiek werk leverden. De zogenaamde Italiaanse muzikanten hadden een repertoire dat was geïnspireerd op het Franse chanson. Bis: Nederlanders, vermomd als Italianen, met quasi Frans repertoire. Volkomen logisch dus, dat zij wat zij brachten levensliederen noemden. In elk geval een benaming voor het genre die beklijft tot op heden. Pisuisse was voor het begin van de Eerste Wereldoorlog al fulltime artiest en Blokzijl, die hem op de piano begeleidde, kwam in militaire dienst en werd later oorlogscorrespondent. De man die altijd het antisemitisme en nazisme had afgewezen ging in de jaren vlak voor de Tweede Wereldoorlog overstag en werd in het geheim lid van de NSB. Na de Duitse inval kwam hij zo openlijk uit voor zijn opvatting dat het hem de functie opleverde van hoofd van de afdeling perswezen van het nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Hij ging zich sterk maken voor de nazificering van de Nederlandse media. ‘Niets is veranderlijker dan een mens’, zoals Rieka graag mocht zeggen.

Amerikaanse muziek mocht nog even maar Engelse muziek werd al meteen verboden. De Amerikanen werden nog niet direct als vijand gezien maar de Engelsen des te meer. Veel Nederlanders begonnen de BBC te beluisteren, om de berichtgeving en om de muziek. ‘Radio Oranje’ begon uit te zenden vanuit Londen, de BBC verzorgde de uitzendingen van een kwartier om negen uur ’s avonds. Koningin Wilhelmina sprak de Nederlanders moed in: ‘Wie op het juiste ogenblik handelt, slaat de nazi op den kop.’
(wordt vervolgd)
nnn

zaterdag 14 november 2015

ANNA'S JAREN (106) - Verkeerde diagnose

Opmerkelijk genoeg gingen tijdens bezetting en onderdrukking veel zaken in Rotterdam gewoon door. Geplande annexaties van randgemeenten kregen hun beslag. Allereerst werd ‘De Hef’ hersteld, om treinverkeer weer mogelijk te maken. En al op 18 mei 1940 ontving de Rotterdamse stadsarchitect W.G. Witteveen de opdracht een plan te ontwerpen voor de wederopbouw van de stad. Daartoe ging het gemeentebestuur over tot onteigening van alle terreinen, waarop de verwoeste gebouwen hadden gestaan. De eigenaars kregen geen schadevergoeding maar recht op een gelijkwaardig nieuw stuk grond. Van de verloren gegane woningen zou volgens plan nog niet de helft worden herbouwd. Het plan van Witteveen borduurde voort op ideeën, die hij al voor de oorlog had ontwikkeld en kon dus snel – een maand later – worden gepresenteerd. De Duitsers hadden grote belangstelling voor het beoogde herstel van de stad, die de snelle jongens inmiddels als hun uiterst belangrijke havenstad zagen. De onderwijl benoemde rijkscommissaris voor Nederland kwam speciaal daarvoor met een zware delegatie naar Rotterdam. Arthur Seyss-Inquart. Omdat hij mank liep werd hij al gauw ‘Zes-en-een-kwart’ genoemd door wie niet van hem hield. En kijk, ook hem kan ik mij herinneren, met zijn kenmerkende brilletje.
Het was alweer een aantal jaren later maar voor de zoveelste keer defileerden Duitsers nog steeds stoer en stevig stampend met hun spijkerlaarzen door de Paul Krugerstraat. Voor de zoveelste keer bloeide er weer een klein bloempje op de heide, en voor de zoveelste keer werden wij er niet vrolijk van. Langs de kant van de weg stond een gebrilde, hoge officier naast een auto. Uit een raam van de woonkamer hangend, hadden Jan en ik net voldoende zicht op een stukje Paul Krugerstraat om er meer dan genoeg van te aanschouwen.
Impulsief als hij kon zijn, verbrak Jan de in het bijzijn van kinderen gebruikelijke radiostilte en zei achterom naar binnen:
‘Kijk Rieka, we hebben hoog bezoek uit de hel. Daar staat die godsverdomde galbak van een Zes-en-een-kwart.’
Ik vermoedde het al wel, maar nu werd het wel zeer duidelijk dat Jan niet van hem hield. Rieka schrok best wel even, want hij zei zulke dingen nou niet bepaald fluisterend met zijn bootwerkerskeeltje.
‘Kom dan nou maar naar binnen Jan, we hebben het wel gezien’.
‘Ik wil hem toch eerst nog even zien manken met die kortere poot voordat hij in die auto stapt.’
Helaas voor Jan mislukte dat want het instappen van ‘Zes’ bleef net verborgen achter de laatste voorbijstampende, nog steeds een bloempje op de heide bezingende moffen.
‘Ik ga ze in elk geval adviseren van zijn andere poot ook een stuk af te zagen, dan loopt die manke koelerelijer vast beter of misschien wel helemaal niet meer’.
Die door Jan voorgestelde chirurgische ingreep berustte overigens op een verkeerd gestelde diagnose, want Seyss-Inquart mankte niet door ongelijke lengte van zijn benen. Hij had zijn mankement overgehouden aan een verwonding in de Eerste Wereldoorlog.
‘Hou nou maar op Jan.’
Voordat hij het hoofd weer binnenskamers bracht, lanceerde Jan nog even een verwensing, die ik niet verstond maar Rieka deed verstijven. Toch was dat eigenlijk nog niets, later zou Jans jennen richting Duitsers ons nog een ware doodsschrik gaan bezorgen.

Een dag na de capitulatie van België had de benoeming van ‘Zes’ tot rijkscommissaris van Nederland plaatsgevonden. Dit werd min of meer als degradatie gezien, Seyss-Inquart had een grote rol gespeeld bij de ‘Anschluss’ van Oostenrijk bij Duitsland waarna Hitler hem tot rijksstadhouder had benoemd. Die degradatie kwam er omdat Seyss-Inquart behoorde tot de gematigde vleugel van de Oostenrijkse nazi’s. Maar in Nederland stelde hij zich vooral tegen het verzet steeds harder op en was hij de grote motor achter de deportatie van de Joden. Hij zou dan ook na de oorlog in Neurenberg ter dood worden veroordeeld en worden terechtgesteld. 

Rauter
(Foto: Wikipedia)
Hitler had Seyss-Inquart toegestaan enkele landgenoten mee te nemen naar Nederland. Daarvan werd Hans Albin Rauter de beruchtste. Met Seyss-Inquart als meerdere was hij ook nog de vertegenwoordiger van Himmler, die hij mateloos bewonderde. Hij ging  zich inzetten om, wat de nazi’s ‘het Jodenvraagstuk’ noemden, definitief op te lossen.
‘We willen alleen maar genezen worden van deze pest en het Joodse vraagstuk moet definitief en totaal worden opgelost.’
Hij liep voorop want hij maakte zich al zo’n tien jaar druk om een ‘doelbewuste bevolkingspolitiek, rassenscheiding en sterilisatie van schadelijke elementen in de maatschappij’. Uit Oostenrijk gevlucht omdat het hem te heet werd onder de voeten na deelname aan een mislukte staatsgreep, was hij in Duitsland zijn loopbaan bij de SS begonnen. Promotie wegens bijzondere verdiensten was hem ten deel gevallen doordat hij in Breslau de Kristallnacht uiterst succesvol had laten verlopen. Alle synagogen en Joodse scholen waren er vernietigd.
(wordt vervolgd)
nnn

maandag 9 november 2015

ANNA'S JAREN (105) - Een strenge juffrouw en een lief meisje

Wat weet de peuter van toen, nu als volwassene, nog van die eerste oorlogsjaren? Dat de volwassene zich normaliter van vóór het derde levensjaar niets meer weet te herinneren is bekend. En van de daarop volgende periode tot het vierde jaar gaan hoogstens één of twee ingrijpende gebeurtenissen duidelijk reproduceerbaar naar het lange-termijngeheugen. De rest wordt met de jaren schimmiger. Als er later meer herinneringen opkomen, blijft het een pijniging van de hersens als wordt gepoogd vast te stellen of die herinneringen uit de allereerste periode van de kleutertijd geen gebeurtenissen zijn, die later geheel of gedeeltelijk van anderen zijn vernomen. Dat de hersenen verschillende aspecten van een gebeurtenis ook op verschillende plaatsen opslaan, maakt het nog ingewikkelder. Tijdens het zoeken naar de herinnering worden die verschillende facetten dan weer samengevoegd en vullen de hersenen eventuele gaatjes keurig in. De harde schijf van een computer, die weleens met ons geheugen wordt vergeleken, kan dat niet en is op dat punt daarom eigenlijk betrouwbaarder. In elk geval is op de harde schijf eenvoudiger te vinden wat als eerste is opgeslagen. Dat ligt voor het bepalen van wat nu precies de allereerste persoonlijke herinnering is, even iets moeilijker. Het ligt in elk geval voor de hand dat die herinnering een gebeurtenis betreft, die tot dat moment de diepste indruk maakte op de kinderziel. Vaak is dat een traumatische ervaring.
Een theorie die aardig blijkt te kloppen als ik mijn hoogstwaarschijnlijk allereerste visuele herinnering probeer op te halen. Inderdaad, geen fijne.

Hoe groot de impact ook moet zijn geweest, van het op een haar na treffen door de granaatscherf weet ik echt niets. De scherf zelf kan ik mij wel scherp herinneren omdat ik hem later nog vaak heb gezien. En het nachtkastje kan ik mij ook nog goed herinneren. Dat valt te verklaren doordat het later nog lange tijd heeft gefunctioneerd na reparatie door Rieka’s vader, die het kastje ook had vervaardigd. Een simpel houten kastje was het, van gebeitst hout. Strak – eigenlijk best wel modern – vormgegeven, met een laatje en een deurtje.
Wat ik wezenlijk zie als mijn allereerste herinnering gaat terug naar de kleuterschool, het was al geruime tijd oorlog. Er was een strenge juffrouw, die op hoge hakken in de klas rondliep met een air alsof zij een filmster was met haar zorgvuldig opgemaakte gezicht en haar shawl, altijd om het haar gewonden. Ik kan haar nog zo voor mij halen. Wat ik mij niet kan herinneren, is of zij ooit wel eens iets vriendelijks zei tegen de kinderen. Zij kon het je al moeilijk maken als je de pech had per ongeluk een kleurpotlood te breken, zoals mij een keer overkwam. Kleurpotloden waren uiteraard schaars, maar op haar opvatting hoe dat aan een kleuter aan het verstand te brengen valt educatief gezien heel wat af te dingen:
‘Ga hem maar repareren.’
Meer werd er niet gezegd, en zij plaatste mij ergens apart met niets anders dan dat gebroken potlood. Kortom, dat takkewijf maakte zo’n diepe, negatieve indruk dat ik nu ook zelfs haar naam nog weet, al schrijf ik hem niet op. Dat wil zeggen haar achternaam, schooljuffrouwen hadden toen nog geen voornaam en zij zou die zelfs nu ook nog niet hebben. Zo’n juffrouw.
Dat herinneringen vaker ongevraagd en langs eigen weg komen dan op oproep en de ene herinnering spontaan de opkomst van de andere kan stimuleren blijkt als vervolgens glashelder de volgende herinnering komt bovendrijven. De herinnering aan dat lieve meisje in diezelfde kleuterklas bij diezelfde juffrouw. Zwart haar had zij, en donkere ogen.
Zij was er opeens niet meer, dat meisje met haar lieve gezichtje.

‘Kukirol’ met de shawl snauwde alle vragen weg en verder wilde ook niemand anders vertellen waarom dat zo was. Jan en Rieka hoorden thuis mijn verhaal aan, keken naar elkaar en vielen stil. Ik weet het allemaal nog, ik blijf het voor mij zien. En ik weet ook nog dat ik het maar niet kon begrijpen. Zij had mij de vorige dag nog zo geduldig geleerd hoe ik mijn schoenveters moest strikken.

Opgeruimd Rotterdam.
(Foto: Wikipedia)
Zonder aankondiging, als druppelregen en hagelbuien in het voorjaar, kunnen meerdere beelden opdoemen uit die al maar durende oorlogsperiode. Nevelen worden dunner naarmate de gebeurtenissen later in de tijd plaatsvonden. Met de allereerste indrukken voor de geest van de wereld buiten die kleuterschool dringt zich het beeld op van de Maashaven (maar was het wel de Maashaven?). Geobsedeerd was ik door het onbehaaglijke, eigenlijk zelfs beangstigende decor dat de ballonnen, een soort mini-zeppelins, opleverden. Zij hingen aan kabels boven de schepen om het jachtvliegtuigen onmogelijk te maken aan te vallen via een duikvlucht. Dat het daarom ging wist je eigenlijk niet zo precies, maar je voelde de dreiging maar al te goed.
Wat is er feestelijker voor een kleuter dan kleurige luchtballonnen? Maar kleur was nu juist wat er aan deze ballonnen in de hoogte ontbrak, waardoor zij niets feestelijks hadden. Integendeel. De herinnering die ik nog heb aan de haven met die grijze mini-zeppelins, silhouetten bijna tegen een grauwe hemel, heeft in zijn totaliteit de kleurloosheid van een vroege film noir.
(wordt vervolgd)
nnn

woensdag 4 november 2015

ANNA'S JAREN (104) - Een echte kunstkenner

Hij overleed tijdens zijn vlucht voor de nazi’s. Aan boord van een schip, dat zich al vlak voor de Engelse kust bevond, viel de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker in een ruim. Goudstikker behoorde tot de bekendste kunsthandelaren van Europa. Zijn bedrijf kwam in handen van de Duitser Miedl  en de dagelijkse leiding kwam te berusten bij Jan Dik Sr., die in alles met de Duitsers meewerkte en er uiteraard dik aan verdiende. Veertig jaar eerder werd zo iemand al een oweeër genoemd. Het moet wel vermeld, Miedl en Dik hadden toch ook nog ergens een hart, want dankzij hen overleefde de Joodse moeder van Goudstikker met haar kleinzoon de oorlog. Zij zorgden behalve voor geld ook voor al het andere nodige voor die twee. 

Görings uniform
(Wikipedia)
Er was een grote belangstelling voor Goudstikkers nagelaten verzameling, vooral van Duitse zijde. Om tegen te gaan dat alle kunst voor hen werd verborgen, stalen de Duitsers niet alleen maar kochten zij ook meesterwerken. Een van de Duitse kopers bij de galerie aan de Amsterdamse Herengracht vertegenwoordigde Herman Göring. En niet lang daarna verscheen de Rijksmaarschalk ook nog eens in hoogst eigen persoon, zoals altijd in smetteloos wit uniform, op zijn Rotterdams ‘zonder enige vlooienscheet’. Vrachtwagens en zelfs rijnaken vol kunst en juwelen werden afgevoerd naar Duitsland. Twee miljoen zou er voor zijn betaald. Twee miljoen guldens die niet uit Hermans eigen zak kwamen. Voor dat soort zaken moest niet alleen de vijand bloeden maar ook de eigen Duitse bevolking. Levensmiddelen waren al ruim een jaar op de bon en nu werden de Duitsers geconfronteerd met ‘vrijwillige gaven’, bedragen die in mindering werden gebracht op de salarissen. Wie verklaarde zich dat niet te kunnen permitteren, gold als een saboteur en kon zomaar worden ontslagen of erger nog, aangegeven. Officieel heette het dat het hierdoor ter beschikking gekomen geld bestemd was voor werklozen, de zogenaamde winterhulp, maar het ging in de eerste plaats naar de bewapening en pas in de tweede plaats naar andere, overigens niet erg duidelijke, zaken. 
'Christus en de overspelige vrouw'
(Afbeelding: Wikipedia)
Göring had in elk geval geld genoeg en niet meer dan een jaar nodig om een verzameling van ongekende omvang op te bouwen. Een verzameling die later nog zou worden aangevuld met een schilderij dat hij meer dan alle andere zou gaan koesteren. Hij zou het, weer niet uit eigen zak, kopen voor 1,65 miljoen gulden. Maar dat zou hij er wel voor over hebben. Om de schoonheid van het werk.
Maar, ook weer niet alleen om de schoonheid. Hij zou vooral groos zijn omdat het zo’n uniek stuk was. Kunstkenner Göring wist dat er van de maker van dit werk maar zo’n vijfendertig werken in de wereld zijn te vinden. 
En nu zou Herman er dan een bezitten, het allerfraaiste, tot dan toe onbekende werk van die meester. Maar in elk geval een absoluut meesterwerk, ‘Christus en de overspelige vrouw’.
Een echte Jan Vermeer zou Herman bezitten! En groos zou Herman zijn! ‘Groos als een aap met zeven lullen’ zou Herman zijn (nette Rotterdammers hadden het over zeven staarten).

De gewone man of vrouw had wel wat anders aan het hoofd dan die Göring met zijn schilderijen. Zorgen om het hoofd boven water te houden. Zorgen om de kinderen. Ouders ontwikkelden in die barre tijden een beschermingsmechanisme ten aanzien van de kinderen dat het normale te boven ging. Kinderen werden zoveel mogelijk weggehouden bij alle ellende, zij gingen niet mee naar een begrafenis, of het moest die van hun eigen ouders zijn. Over misère, ziekte en dood werd in het bijzijn van eigen of andermans kinderen niet gesproken of, als het niet anders kon, fluisterend, vaak in half afgemaakte zinnen. En gedachten die mensen over Duitsers hadden, werden wijselijk in het geheel niet gedeeld in het bijzijn van kinderen. Als die in hun spontaniteit zaken naar buiten brachten kon dat zonder meer levensgevaarlijk zijn.
Wat je nu, als kind van toen, zelf denkt te weten uit die tijd – de herinnering aan eigen ervaringen – is daarom beperkt.  En niet helemaal duidelijk tot hoever dat precies teruggaat. Mogelijk dat een foetus in de baarmoeder al enig geheugen opbouwt. Herinneringen die na de geboorte niet lang stand houden maar toch even een functie kunnen hebben. Pasgeboren baby’s zijn te kalmeren met de muziek waarnaar de moeder tijdens de zwangerschap luisterde. Elke nieuwe indruk kan weer een langere levensduur hebben, afhankelijk van de importantie van de gebeurtenis. Het begint met semantische herinneringen, het identificeren van zaken in de directe omgeving. Later komen de episodische herinneringen, het onthouden van gebeurtenissen in de tijd. Beide kunnen maar deels worden opgehaald, vrijwel zeker blijven veel details in de hersens onbewust opgeslagen. 
Hoe jong sla je als kind je herinneringen al blijvend en reproduceerbaar op en welk deel blijft in het onderbewustzijn?
(wordt vervolgd)
nnn

donderdag 29 oktober 2015

ANNA'S JAREN (103) - Steenbergen aan de Maas

In de gespaard gebleven omgeving van de platgegooide binnenstad herstelde het uitgaansleven zich voor zover mogelijk vrij spoedig. Zuid had zijn bioscopen ‘Colosseum’ en ‘Harmonie’ en die bleven gewoon doordraaien maar Engelse, Franse en Amerikaanse films zouden al snel niet meer worden vertoond. Op de rechter Maasoever betekende het bombardement het einde van negentien bioscopen. Alleen ‘Luxor’ stond nog overeind en ook daar werd al weer snel gedraaid. De exploitanten van drie vernielde theaters sloegen de handen ineen om gezamenlijk een noodbioscoop te beginnen. Dat werd ‘Lutusca’, met duizend zitplaatsen. Midden in de kaalslag zou dat theater echter pas in 1946 zijn deuren kunnen openen om nog dertien jaar te functioneren terwijl rondom de stad werd herbouwd. Ongeveer twee weken na het bombardement  adverteerde de gespaard gebleven dancing ‘Parkzicht’ al in het ‘Rotterdamsch Nieuwsblad’ met de kop ‘Parkzicht danst weer’. ‘Parkzicht’ wel misschien, maar de bevolking was de danslust nog even vergaan.
Het bombardement was uiteraard een klap van jewelste voor het bedrijfsleven. De Duitsers schakelden het Nederlandse bedrijfsleven weliswaar in voor hun oorlogseconomie maar toch sloeg vrijwel onmiddellijk een omvangrijke werkloosheid toe. In de jaren vlak voor de oorlog werd er door Nederlandse arbeidsbureaus – vooral in de grensstreek –  al samengewerkt met de Duitse, in een poging om de werkloosheid in Nederland te bestrijden. Wie een aanbod om in Duitsland te gaan werken weigerde liep het risico zijn uitkering te verliezen hoewel dat wettelijk zelfs nog helemaal niet mogelijk was. Het was dus een kleine stap voor de Gemeentelijke Arbeidsbeurs Rotterdam om na het bombardement havenarbeiders te werven voor de Duitse havensteden. De bereidheid was praktisch nihil, eensgezind met vrijwel alle andere arbeiders verklaarden ook Anna’s zonen ‘liever tegen Duitsland te vechten dan ervoor te werken.’
Waarop de overheid kalmweg verklaarde dat wie weigerde niet op steun hoefde te rekenen, want wat was een Nederlandse wet nog waard onder een Duitse bezetting? Maar dat was nu juist de kwintessens, om een graag en vaak door Jan gebezigd woord maar eens aan te halen. Er wordt vaak gesproken en geschreven over de jaren veertig-vijfenveertig als over de bezetting. Maar zo hoorde je Rotterdammers toen, en vaak ook nu nog, die periode maar zelden benoemen. Zij, en zeker Anna en haar dierbaren noemden die tijd oorlog. Het was en bleef voor hen oorlog met degenen die hun stad hadden verwoest en stadsgenoten hadden vermoord. Iedere Rotterdammer kende wel een getroffene – dakloze, gewonde of dode – waardoor de bezetter de te bevechten vijand bleef. Anna’s man en zonen verlieten Rotterdam dan ook niet.

Er werd op bevel van de Duitsers al na korte tijd begonnen met opruimingswerkzaamheden, waarbij vrijwilligers en werklozen werden ingeschakeld. Maar echt snel ging het puinruimen niet, voor de moffen maakte niemand haast. Twintigduizend man deden er twee jaar over. Het was de Duitsers in eerste instantie vooral te doen om het vrijmaken van de wegen maar daarna gebeurde het opruimen steeds rigoureuzer en werden historische gebouwen niet ontzien. Met het puin werden binnenwateren gedempt. 

(Foto Wikipedia) 
‘Steenbergen aan de Maas’ gingen velen de stad der puinhopen noemen. Er kwamen zelfs ansichtkaarten van die steenbergen in de handel en die werden nog verstuurd ook. Kennelijk de mogelijkheid voor de Rotterdammers om relaties elders een beeld te geven van wat er was aangericht, maar mogelijk ook het begin van de voor een oorlog vaak kenmerkende overlevingshumor. Een enkel regeltje op de kaart kon de geadresseerde meer dan genoeg zeggen.

In het theater was het aanvankelijk vooral Buziau die op het gebied van gedurfde verzetshumor de show stal en onder andere de grap uithaalde om met een groot portret het podium op te komen. ‘Ik kreeg een portret van oom Herman’ zei hij, ‘maar nou weet ik niet wat ik ermee moet doen, ophangen of tegen de muur zetten?’
Met die ‘Herman’ werd Herman Göring bedoeld, die de kleinkunstgrap wel niet zou weten te waarderen hoewel hij zichzelf wel als een groot kunstliefhebber en kenner zag, net als zijn baas Adolf. Zij hielden niet alleen veel van de grote K-kunst, zij hielden er vooral van om deze te verzamelen en nog veel meer om deze te roven. Beiden vonden dat de kunst van Europa een plaats moest krijgen in Duitsland. 
‘Ik ben van plan om te plunderen, en om het grondig te doen’, had Göring gezegd. In grote euforie reisde hij tien dagen na het bombardement af naar Rotterdam om met eigen ogen de ravage, als gevolg van het kunstje dat zijn jongens op zijn bevel de stad hadden geflikt, te kunnen waarnemen en vooral om vervolgens te kunnen doorreizen naar Amsterdam op zoek naar kunst en juwelen. Werken van Rembrandt, Rubens en Brueghel vonden weldra hun weg naar Duitsland.
En niet lang daarna kwam hij nog weer terug om te winkelen.
 (wordt vervolgd)
nnn